Kamperen?

‘Wist je dat op een camping in Spitsbergen kortgeleden een Nederlandse toerist is omgekomen? Opgegeten door een ijsbeer.’ 

Terwijl ik geniet van een laatste warme douche in het comfort van mijn eigen badkamer, spreekt Gergö mij ‘bemoedigend’ toe over ons aanstaande eerste kampeeravontuur. Geboekt is een tent op een camping in de buurt van de Flying Fox XL: een enorme zipline. Een spontane actie, maar we hebben nog een bon liggen en willen die hiervoor gebruiken. 

We pakken onze spullen in de auto en proppen ook onze kussens en dekbedden er nog bij in. De thermos worden gevuld met koffie en we gaan een laatste keer naar het toilet zonder naar een ander gebouw te hoeven lopen. Klaar voor avontuur, het ruige leven!
Eenmaal op de snelweg komt de regen met bakken uit de hemel. Grijze mistflarden tussen de bergen geven ons eerder het gevoel dat we Mordor uit Lord of the Rings binnenrijden in plaats van de Oostenrijkse alpen.’Wat zegt het weerbericht?’ vraagt Gergö. 
Ik kijk. Code oranje vanwege harde windstoten.
‘Ach ja, je weet wel, the usual,’ zeg ik nonchalantjes. Niets gaat dit avontuur in de weg staan.
We passeren een boel campers op de snelweg en allemaal hebben ze één ding gemeen: iedereen zit met een enorm fronzend gezicht uit het autoraam naar de lucht te kijken. 
‘Gaan we dit echt doen?’ zie je ze denken. Oh nee, dat waren wij. En we zeiden het hardop. 

Ja hoor, we gaan dit echt doen! We zouden geen Anke en Gergö heten als we deze kleine hobbel niet gewoon totaal negeren. Wel google ik stiekem alvast naar het hotel dat aan de camping vast zit. Gewoon voor de zekerheid. 

Halverwege de rit stoppen we bij een prachtige waterval voor een wandeling en een lunch en tot onze grote vreugde zitten we, geheel tegen de voorspelling in, buiten in de zon! 
Anderhalf uur later rijden we vol enthousiasme de camping op, klaar voor avontuur in de wilde natuur. Het eerste dat we tegenkomen is een midgetgolfbaan en daarna een luxe zwembad, maar hé, kan een gebeuren. We checken in, zien gelijk al vijf Nederlandse auto’s staan, en lopen over een keurig recht straatje naar ‘onze’ tent. ‘Wow, die tv is groter dan die van je ouders!’ wijst Gergö naar een caravan. ‘En kijk! Die mensen hebben zelfs hun thermomix meegenomen?!’

Even later zitten we voor onze tent. Nog steeds in ontkenning dat de camping niet helemaal is wat we dachten dat het zou zijn en klaar om het echte buitenleven te beleven. ‘De trein naar het centrum vertrekt over vijf minuten, herhaling: de trein naar het centrum vertrekt over vijf minuten,’ schalt er uit een luidspreker. 
Gergö kijkt mij aan, ik kijk stoïcijns voor me uit en slurp van mijn thee. Als ik gewoon geloof dat dit een ruige camping is, dan is het een ruige camping. 
Tien minuten later zwelt er een gebrom aan in de verte en op het moment dat er een soort attractiepark-treintje aan onze tent voorbij, volgeladen met blij om zich heen kijkende toeristen houden we het niet meer vol en schieten Gergö en ik allebei keihard in de lach. 

Pas ’s avonds als we in bed liggen worden we toch nog een beetje getrakteerd op Spitsbergen-achtige scenario’s. De natuurcamping annex vinexwijk verandert in een ijzig koud oord waar de regen in enorme mitrailleursalvo’s vanuit de boom op ons tentdoek landt. De tent lekt op drie plekken, maar gelukkig niet in ons slaapvertrek. Naast ons huilt een buurkindje (een ukkie nog) de hele nacht.

De volgende dag houden we de moed erin. Het heeft de hele nacht geregend, maar nu is het droog. De buren vertrekken en wij maken een prachtige wandeling  in de bergen. Terug op de camping leven we onze omroep Max ‘We zijn er bijna droom’ verder en gluren we glunderend naar binnen bij de woonconstructies die mensen hier met een camper of tent hebben gemaakt. Sommige onderkomens doen nog het meeste denken aan een Staphorster huisje, inclusief vitrage-raamwerkjes voor de ‘ramen’. 

‘Dit is geen tent, dit is een hotel zonder muren!’ zeg ik als we de tweede avond bij kaarslicht en opnieuw heftige regen op een plastic stoel zitten te kleumen. Zachtjes smeden we plannen om onze eigen spullen te kopen. Écht kamperen, willen we! Zonder thermomix en toeristentreintjes! Het zwembad en de sauna’s die bij de camping horen zijn zalig, maar als we luxe willen, boeken we wel een hotel. Kamperen moet kamperen zijn. Niet half half- maar all in! Dat past het beste bij ons. 

De volgende ochtend spijbelen we en vluchten we in onze pyjama’s met regenlaarzen naar het hotel dat we hebben uitgezocht en genieten van een afschuwelijk duur maar héérlijk uitgebreid ontbijtbuffet. Nog nooit voelde warmte zó lekker. Nog nooit was ik zó blij met mijn kopje soja cappuccino. 

En daarmee heb ik alvast één ding ontdekt wat ik geweldig vind aan kamperen: totaal afzien en daarna weer heel blij zijn met kleine dingen. 

To be continued!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *