Doei doei.

We zijn met zn drieen. Gergö, mn schoonmoeder en ik. 

We rommelen nog wat dom door onze tasjes en kijken of we genoeg zakdoekjes bij ons hebben.
Hoeveel zakdoekjes heb je nodig voor de crematie van je schoonvader?

We stappen in de auto, helemaal deftig in onze kerstkleding, net als mijn schoonvader, en ik vraag me af of er ook buren stiekem vanachter hun vitrage naar ons kijken. Vandaag zijn wij ‘die mensen’.

Ik heb geen idee hoe alles zou verlopen, maar één ding weet ik zeker:
Mijn eerste ervaring met het bekijken van een overledene toen ik een jaar of tien was, was ook gelijk de laatste. Ik ga sowieso niet bij mijn schoonvader kijken.
Nou goed, soms lopen dingen gewoon anders dan je verwacht en net als dat Gergö niet had gedacht dat hij het zo fijn en goed zou vinden om het lichaam van zijn vader te verzorgen, aan te kleden en in de kist te leggen, had ik niet verwacht dat ik ineens met Gergö naast de open kist zou staan om afscheid te nemen.

Ik sta er, en verrek… ik vind het mooi. Ik vind het zelfs super fascinerend.
Eigenlijk vind ik het zó fascinerend, dat ik ervan schrik en me afvraag wat er mis met me is dat ik het zo boeiend vind om op deze manier een dood lichaam te bekijken. Een omhulsel dat zijn ziel heeft losgelaten.

Een paar woorden naar elkaar en naar mijn schoonvader later zitten we weer in de aula met een kopje koffie en een ‘koekje-waar-niemand-zin-in-heeft’.
De medewerkers van het centrum halen het horloge en de trouwring van mn schoonvaders hand en brengen het ons in een zakje.
Dan is het tijd om de kist te gaan sluiten, we lopen een laatste keer door de gang.
Ik zal foto’s maken met mijn mobiel. Niet teveel, niet te opvallend, maar toch zorgen voor een paar dierbare herinneringen. Toch wel een beetje anders dan een paar gezellige kerstplaatjes schieten…

Gergö en zijn moeder helpen met het sluiten van de kist, onder begeleiding van de medewerkers van het rouwcentrum.
Wat zijn die mensen een helden! Ik ben zo aangegrepen door hoe fantastisch zij hun werk doen en door het hele mysterieuze, ongrijpbare en fascinerende van alles wat daar in het gebouw gebeurt, dat ik me acuut voorneem om een opleiding tot uitvaartondernemer te gaan doen, want wat kun je daar een groot verschil maken.
Zo is bijvoorbeeld het sluiten van de kist en het laatste afscheid verschrikkelijk emotioneel, maar op de een of andere manier helpt het heel erg dat er een paar mensen bij zijn die wel meeleven maar zelf niet wanhopig zijn en heel rustig uitleggen waar je welk pinnetje in moet draaien, alsof je een soort Ikea kastje in elkaar zet. 

‘Moet ik jou ook op de foto zetten?’ klinkt het naast mij. Ik schud nee.

Hendrikus (‘onze’ uitvaartondernemer) wijst me aan waar ik het beste in de gang kan staan om nog een foto te maken als Gergö en zn moeder de kist richting de auto rollen. Ik zeg iets doms als ‘het laatste ‘loopje’ en ‘het laatste ritje’.
De kist wordt in de auto geschoven; iemand houdt op straat het verkeer tegen als we het terrein verlaten.
Helaas staat er niet even iemand op het laatste stukje van de route naar het crematorium om die twee studenten die blikjes energiedrank aan voorbij fietsende mensen uitdelen een seintje te geven. De wereld draait door.

Bij binnenkomst moeten we weer even wachten. Er wordt mij een derde kopje koffie in een uur tijd aangeboden. Ik sla het niet af.

Terwijl Gergö en zn moeder even kijken of alles naar wens is ingericht in ons zaaltje, peins ik nog wat over mijn nieuwe carriere-ambitie en de fantastische hulp die we krijgen. Door het gordijntje zie ik de pastor aankomen. Ik stap het gangetje in, houd de deur voor hem open en heet hem alvast welkom.
‘Ah, u bent de begrafenisondernemer?’ vraagt hij vriendelijk. 

De plechtigheid begint, en het is mooi. Gergös speech is zó knap geschreven, zo sterk, eerlijk en krachtig, en steeds komt de ‘doei doei’ terug, de groet die mijn schoonvader altijd gebruikte als je binnen kwam lopen (ja, dat heb ik correct opgeschreven).

Voor ik het weet, drie keer vijf minuten klassieke muziek later en wat woorden van de pastor, is het voorbij.

Mijn schoonvader wist niet dat hij voor het laatst de trap af liep. Voor het laatst wakker was geworden in zijn bed, voor het laatst zijn tanden had gepoetst en voor het laatst de deur achter zich had gesloten om in de taxi naar het ziekenhuis te rijden.
En nu glijdt hij daar over een railsje achteruit de ruimte uit en onttrekken twee zeer mechanisch klinkende gordijnen hem aan ons zicht.

Doei doei, dat was het dan.

Omdat wij de enige aanwezigen zijn (op wens van mijn schoonvader), staan we zo weer in de wachtruimte. We bespreken de laatste dingen met Hendrikus en voor ik het weet zit ik in de auto, met een bloempot tussen mn knieën, één bloemstuk in mijn nek op de hoedenkap en nog een naast mij.
Als we wegrijden zwaai ik naar de twee medewerkers die ons vanuit de deur groeten. Het was veel, maar bovenal een mooi afscheid.

De opleiding tot begrafenisondernemer duurt overigens zo’n drie jaar. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *