Theater.

Het is aardedonker.
Een lampje doemt op op het onverharde pad dat door de velden naar het dorp leidt.
De fietser heeft hier niets te zoeken op zondagavond om acht uur; de campus die hij achter zich laat is stil. De gebouwen slapen, in afwachting van de nieuwe werkweek die morgen begint.
De man trekt zijn muts van zijn hoofd en propt hem al fietsend in zijn jaszak. De wereld is duidelijk in de war, want de winter zwijgt in alle toonaarden.
Dan ineens: kreten. IJzige kreten die vanuit het struikgewas de stille avondlucht uiteen rijten. Gegil, protest. Een flits van een zaklamp; dan niets meer.

De man fietst door. Zijn geweten schreeuwt dat hij moet stoppen, maar hij kan het niet. Zijn lichaam vecht tegen zijn verstand, zijn benen trappen gewoon verder.
Op het spoor naast het pad haalt een trein hem in, kort lawaai, en dan is hij weer alleen met de avondlucht die beschuldigend haar vinger opsteekt. Nogmaals schalt een hartverscheurende, langgerekte ‘nee’ door de lucht. Het werkt als brandstof op zijn spieren, nog harder fietst hij. Weg van de plek des onheils. Dit is niet gebeurd.

Eenmaal thuis kunnen zelfs een hete kop thee en een lange douche het voorval niet van hem wegspoelen. Een stemmetje in zijn hoofd probeert hem te vertellen dat hij het zich verbeeld heeft, maar de stem klinkt naïef, ongeloofwaardig.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt zijn vrouw als hij even later in zijn badjas voor zich uit zit te staren op de bank. Ze staat tegenover hem en drukt haar handen in haar zij. ‘Je kijkt alsof je een lijk hebt gezien.’
De man voelt hoe zijn spieren aanspannen.
‘Het is vast niks,’ mompelt hij.
‘Wát is vast niks?’ houdt zijn vrouw vol. En daarna achterdochtig: ‘Je bent toch niet alweer je sleutels kwijtgeraakt?’

De volgende ochtend neemt de man de trein naar zijn werk op de campus. Hij probeert zichzelf voor te houden dat hij zich niet meer herinnert waar het gillen precies was, maar hij weet het exact. In een flits zijn ze eraan voorbij en een minuut later rijden ze het station binnen.
9.03 uur.
Mensen stromen naar buiten. De desillusies van een voorbijgegaan weekend in hun rugzak, de maandag sadistisch grijnzend op hun schouders.

Een stuk uit het theater genaamd:
’De familie Popping – van Delden en hun geocache-avonturen’

Tijd en plaats:
Zondagavond, 20.00 u., in de bosjes naast het onverharde pad tussen de universiteitscampus en ons dorp Garching.

Met in de hoofdrol:
Dakota –  Zeer teleurgestelde peuter. Zet het op een krijsen als ze zich realiseert dat er geen geocaches meer op het programma staan en we zo terug naar huis moeten gaan.

Anke en Gergö – Ouders van Dakota. Proberen zich samen met de peuter een weg door de heftige emoties (en de bosjes) te slaan, op weg terug naar het geciviliseerde deel van haar brein en de wereld.

Anoniem – Een argeloze voorbijganger op een fiets. Heeft waarschijnlijk een levenslang trauma opgelopen door de door merg en been gaande kreten die Dakota in het aardedonker vanuit de bosjes produceerde exact op het moment dat hij/zij langsreed.

Sorry, fietser.






Eén antwoord op “Theater.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *